Hoe wij omgaan met geven

Bij Christus’ Kerk Lelystad hebben wij tijdens de samenkomst geen vast moment waarop een collecte wordt gehouden. Wie de gemeente financieel wil ondersteunen, kan dat vrijwillig doen buiten de samenkomst om.

Die praktische keuze staat binnen een bredere Bijbelse overtuiging over bezit, vrijgevigheid en de ondersteuning van het werk van de gemeente.

Geven als onderdeel van het christelijke leven

De Schrift spreekt regelmatig over de omgang van gelovigen met hun bezit. Alles wat wij hebben, ontvangen wij uiteindelijk uit Gods hand. Geld en goederen behoren daarmee tot het leven waarin wij geroepen zijn God te dienen, voor anderen te zorgen en verantwoordelijkheid te dragen voor het werk dat Hij aan Zijn gemeente heeft gegeven.

Paulus schrijft in 2 Korinthe 9:

(6) En dit zeg ik: Wie karig zaait, zal ook karig oogsten; en wie zegenrijk zaait, zal ook zegenrijk oogsten. (7) Laat ieder doen zoals hij in zijn hart voorgenomen heeft, niet met tegenzin of uit dwang, want God heeft een blijmoedige gever lief.

Deze woorden staan binnen het onderwijs van Paulus over een inzameling voor behoeftige gelovigen in Jeruzalem. De gemeenten in Macedonië en Achaje droegen vanuit hun eigen middelen bij om andere heiligen te dienen.

Paulus legt daarbij nadruk op bereidwilligheid. Het geven moest voortkomen uit een weloverwogen hart en niet uit druk of tegenzin. Hij wilde dat de gave werkelijk een uitdrukking van genade en liefde zou zijn.

Dat beginsel is belangrijk voor hoe wij met geven omgaan. Vrijgevigheid heeft in het Nieuwe Testament een duidelijke plaats binnen het leven van een discipel van Christus, maar het wordt gevormd door genade, liefde en verantwoordelijkheid.

Vrijwillig en met een bereid hart

Handelingen 5 laat eveneens zien dat christelijke vrijgevigheid niet berustte op gedwongen afstand doen van bezit.

Wanneer Ananias een stuk grond verkoopt en vervolgens liegt over de opbrengst, zegt Petrus tegen hem:

Als het onverkocht gebleven was, bleef het dan niet van u, en toen het verkocht was, bleef de opbrengst dan niet tot uw beschikking? Waarom toch hebt u deze daad in uw hart voorgenomen? U hebt niet tegen mensen gelogen, maar tegen God.

De zonde van Ananias bestond niet uit het achterhouden van een gedeelte van zijn geld. Het bezit stond tot zijn beschikking. Zijn zonde bestond uit bedrog tegenover God en de gemeente.

De vrijgevigheid die enkele hoofdstukken eerder in Jeruzalem wordt beschreven had een ander karakter. Gelovigen zagen de noden binnen de gemeente en stelden vrijwillig hun bezit beschikbaar:

(32) En de menigte van hen die geloofden, was een van hart en een van ziel; en niemand zei dat iets van wat hij bezat, van hemzelf was, maar alles hadden zij gemeenschappelijk. (33) En de apostelen legden met grote kracht getuigenis af van de opstanding van de Heere Jezus; en er was grote genade over hen allen. (34) Want er was ook niemand onder hen die gebrek leed; want allen die landerijen of huizen bezaten, verkochten die en brachten de opbrengst van het verkochte en legden die aan de voeten van de apostelen. (35) En aan ieder werd uitgedeeld naar dat men nodig had. (36) En Joses, die door de apostelen ook Barnabas genoemd werd (wat vertaald betekent: een zoon van vertroosting), een Leviet, afkomstig uit Cyprus, (37) had een akker, verkocht die en bracht het geld en legde het aan de voeten van de apostelen.

Sommigen verkochten bezittingen en brachten de opbrengst naar de apostelen, waarna daarvan werd uitgedeeld aan mensen die gebrek leden. Barnabas wordt daarvan als concreet voorbeeld genoemd.

Lukas beschrijft hiermee de opmerkelijke vrijgevigheid die uit het nieuwe leven van deze gelovigen voortkwam. Hun bezit stond niet meer uitsluitend in dienst van zichzelf. De liefde tot Christus en tot elkaar kreeg ook materiële gestalte.

Geen collecte tijdens de samenkomst

Het Nieuwe Testament schrijft geen vaste vorm voor waarin een plaatselijke gemeente tijdens haar samenkomst giften moet ontvangen.

In 1 Korinthe 16:1-2 geeft Paulus bijvoorbeeld aanwijzingen voor de inzameling ten behoeve van de heiligen. De Korinthiërs moesten op de eerste dag van iedere week naar vermogen iets apartleggen, zodat de inzameling gereed zou zijn wanneer Paulus kwam. Ook hier ligt de nadruk op doelgerichte en bewuste vrijgevigheid.

De Schrift geeft duidelijke beginselen voor het geven, maar schrijft niet voor dat tijdens iedere samenkomst een schaal, mand of ander collectemiddel moet worden rondgegeven.

Bij Christus’ Kerk Lelystad hebben wij ervoor gekozen dat daarom niet te doen. Tijdens de samenkomst vragen wij niet om geld en houden wij geen afzonderlijk collectemoment.

Wie Christus’ Kerk Lelystad als zijn gemeente beschouwt en vanuit overtuiging financieel wil bijdragen, kan dat vrijwillig doen. Ook anderen die het werk van de gemeente willen ondersteunen kunnen daarvoor gebruikmaken van de mogelijkheid om een gift te geven.

Geven als aanbidding

Christelijke vrijgevigheid gaat uiteindelijk verder dan het overmaken van geld. Paulus beschrijft de gave van de Filippenzen als een aangename geur, een welgevallig offer, welbehaaglijk voor God.

Hun financiële ondersteuning van zijn bediening had voor God geestelijke betekenis. Hun gave was verbonden met hun liefde voor Christus en hun deelname aan de voortgang van het Evangelie.

Daar ligt ook voor ons het hart van geven. Een gave is geen betaling voor deelname aan de gemeente en geen middel om geestelijke gunst te verkrijgen. Het komt voort uit een leven dat God heeft ontvangen en waarin bezit eveneens onder Zijn heerschappij wordt gebracht.

God heeft een blijmoedige gever lief. Daarom willen wij geven ook op die manier behandelen. Bewust, vrijwillig, naar vermogen en met dankbaarheid voor alles wat wij zelf uit Zijn hand hebben ontvangen.