De plotselinge ondergang van een halsstarrig mens
Wie na bestraffingen halsstarrig is, zal opeens gebroken worden, en er zal geen genezing meer zijn.
Spreuken 29:1
De weg van de wijsheid
(2) om bekend te worden met wijsheid en vermaning, om woorden vol inzicht te begrijpen, (3) om vermaning die inzicht biedt, aan te nemen, gerechtigheid, recht en billijkheid, (4) om aan onverstandigen schranderheid te geven, aan een jongeman kennis en bedachtzaamheid.
Spreuken 1:2-4
De vreze des HEEREN is het beginsel van de kennis, dwazen verachten wijsheid en vermaning.
Spreuken 1:7
Deze ‘vreze’ is een allesomvattend besef van wie God is in Zijn absolute heiligheid, soevereiniteit en macht. Het is de houding van de mens die zijn eigen nietigheid en afhankelijkheid erkent tegenover de Schepper en Rechter van hemel en aarde. Deze vreze uit zich in ontzag dat leidt tot het gewillig onderwerpen aan Zijn Woord en het gehoorzamen van Zijn geboden. Het is, naar het woord van de Wijsheid zelf, “het kwade haten”, een bewuste afkeer van elke weg die ingaat tegen Gods geopenbaarde wil.
De weg van de wijsheid is de weg van gehoorzaamheid aan God, die begint met een luisterende houding. Zo beschrijft Spreuken 2 de wijze als iemand die zijn oor neigt om onderwijzing te ontvangen en de woorden van God in zijn hart bewaart. Deze houding gaat zo ver dat, zoals Spreuken 12:1 leert, de wijze de berisping die hem corrigeert zelfs liefheeft, omdat hij inziet dat dit leidt tot kennis.
Daartegenover stelt de Schrift de weg van de dwaas. Van hem leert Spreuken 1:7 dat hij de wijsheid en het onderricht van zijn vader veracht. In plaats van te luisteren naar Goddelijke raad, vertrouwt de dwaas op zijn eigen hart, een weg die volgens Spreuken 28:26 tot de val leidt. De halsstarrige mens uit Spreuken 29:1 is daarom geen opzichzelfstaand geval. Hij is de belichaming van de dwaas die deze weg tot het einde toe bewandelt. Een mens die de herhaaldelijke roep tot wijsheid en leven, zoals die door heel het boek Spreuken klinkt, consequent heeft afgewezen.
Een spiegel voor het verbondsvolk
Voor wie geldt dit allemaal? Tot wie wordt er gesproken?
De neiging bestaat om de ernstige waarschuwingen uit Spreuken enkel toe te passen op hen die God openlijk verwerpen en de weg van de wereld bewandelen. De Schrift zelf richt deze woorden echter met evenveel, zo niet meer, klem tot het verbondsvolk. Het gevaar van een verhard hart is niet voorbehouden aan de buitenstaander, maar is een constante dreiging voor wie zich binnen de gemeenschap van gelovigen bevindt.
De apostolische vermaningen in het Nieuwe Testament bevestigen dit. De schrijver van de brief aan de Hebreeën waarschuwt de belijdende gelovigen met de woorden van Psalm 95:
(7) Daarom, zoals de Heilige Geest zegt: Heden, indien u Zijn stem hoort, (8) verhard dan uw hart niet, zoals bij de verbittering, op de dag van de verzoeking in de woestijn.
Hebreeën 3:7-8
Deze ‘verharding’ is de halsstarrigheid waar Spreuken voor waarschuwt. Het is het afwijzen van de Goddelijke correctie, die volgens Hebreeën 12 juist een kenmerk is van het ware zoonschap. God corrigeert immers wie Hij liefheeft. Wie deze Vaderlijke correctie stelselmatig naast zich neerlegt, moet zichzelf de vraag stellen of zijn belijdenis overeenkomt met de werkelijkheid van zijn hart.
Een belijdenis met de mond is daarom onvoldoende. Jakobus dwingt ons hier tot zelfonderzoek met de vraag die zelfbedrog blootlegt: zijn wij slechts hoorders van het Woord of ook daders?
Het voortdurend negeren van de correctie van de Schrift, de prediking of de vermaning van medegelovigen, terwijl men zich beroept op genade, is geen teken van geloofszekerheid. Het is het bewandelen van de dwaze weg uit Spreuken, onder de dekmantel van het geloof. De waarschuwing van Spreuken 29:1 dwingt elke belijdende christen tot dit eerlijke zelfonderzoek: is mijn hart gewillig om onderwezen en gevormd te worden, of verhard ik mijn nek tegen de stem van mijn hemelse Vader?
De genade van bestraffing
De menselijke natuur verzet zich tegen elke vorm van correctie. Bestraffing wordt instinctief gezien als een aanval, een afwijzing of een teken van boosheid. De Schrift leert ons echter om met goddelijke ogen naar de bestraffing van de HEERE te kijken.
Wijsheid verwoordt dit in Spreuken 3 met een oproep:
(11) Mijn zoon, verwerp de vermaning van de HEERE niet en heb geen afkeer van Zijn bestraffing. (12) Want de HEERE straft wie Hij liefheeft, zoals een vader doet met de zoon die hij goedgezind is.
Spreuken 3:11-12
De auteur van de brief aan de Hebreeën neemt exact deze woorden over om aan de gemeente uit te leggen dat Goddelijke correctie een bewijs is van ons zoonschap. Een vader laat het kind van een ander ongemoeid, maar investeert tijd en moeite in de opvoeding van zijn eigen kind. Gods correctie is het bewijs dat Hij ons als Zijn kinderen erkent en Zich om onze heiliging bekommert.
Het doel van deze bestraffing is herstel en opbouw. Het is een genadig middel om ons af te keren van een schadelijke weg en ons terug te brengen op het pad van het leven. Het snoeit de wilde takken weg, zodat we meer vrucht kunnen dragen. Zoals Hebreeën 12 uitlegt, brengt de tuchtiging later een “vreedzame vrucht van de gerechtigheid” voort voor wie erdoor geoefend zijn. De bestraffing zelf is pijnlijk en op het moment geen reden tot blijdschap, maar de vrucht ervan is de genade van een leven dat meer op dat van Zijn Zoon lijkt.
De ernst van halsstarrigheid
Als bestraffing een uiting is van Gods genade, dan is halsstarrigheid de welbewuste verwerping van die genade. Het is een zonde die in de Schrift in de meest ernstige bewoordingen wordt beschreven. God Zelf kijkt ernaar als een vorm van diepe opstand. De profeet Samuël stelt het op één lijn met het occulte en met afgoderij wanneer hij koning Saul confronteert: “Want opstandigheid is een zonde van waarzeggerij, en tegenstreven is afgoderij en beeldendienst.”
De halsstarrige mens buigt niet voor God, maar voor het afgodsbeeld van zijn eigen wil en inzicht. Hij plaatst zijn eigen oordeel en gevoel boven het geopenbaarde Woord van God en wordt daarmee zijn eigen hoogste autoriteit.
Door heel de Schrift zien we het verwoestende spoor van deze zonde. God noemt Israël in de woestijn herhaaldelijk een “hardnekkig volk”, een volk dat Zijn wonderen had gezien maar toch hun hart verhardde. De Farizeeën en Schriftgeleerden in de tijd van de Heere Jezus zijn het toonbeeld van religieuze halsstarrigheid. Zij kenden de Schriften, maar verwierpen de Christus Die voor hen stond. Stefanus’ laatste woorden tot hen waren heel duidelijk:
Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, u verzet u altijd tegen de Heilige Geest; zoals uw vaderen deden, zo doet u ook.
Handelingen 7:51
Halsstarrigheid is in zijn diepste wezen het weerstaan van het werk van de Heilige Geest.
Vandaag de dag openbaart deze geest van halsstarrigheid zich op pijnlijke en zeer herkenbare wijzen. Het begint vaak wanneer een gelovige wordt aangesproken op een levenswandel, een relatie of een gewoonte die niet in lijn is met de Schrift. In plaats van de zachtmoedigheid van iemand die onderwezen wil worden, is de eerste reactie er een van verdediging of verontwaardiging. De vermaning wordt bestempeld als ‘wettisch’ of ‘liefdeloos’. De boodschapper wordt beschuldigd van ‘oordelen’, vaak met een misbruik van de woorden van Christus: “Oordeelt niet, opdat u niet geoordeeld wordt.” Snel volgt het argument dat de zichtbare zonde niet relevant is: “Je kunt niet in mijn hart kijken, alleen God kent mijn hart,” waarmee elke concrete gehoorzaamheid wordt ontweken.
Een ander kenmerk van de halsstarrige is het actief zoeken naar medestanders om zijn positie te versterken. Zelfs wanneer de Schrift onmiskenbaar duidelijk is over de zonde, gaat men op zoek naar stemmen die de eigen keuze goedpraten of nuanceren. Men zoekt geen wijze raad, maar bevestiging. De apostel Paulus waarschuwde Timotheüs al voor deze houding:
Want er zal een tijd komen dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar dat zij zullen zoeken wat het gehoor streelt, en voor zichzelf leraars zullen verzamelen overeenkomstig hun eigen begeerten.
2 Timotheüs 4:3
Zo vormt zich een kring van gelijkgestemden waarin de onBijbelse levensstijl wordt genormaliseerd en de vermaning wordt afgedaan als bekrompen of onverlicht.
De focus wordt hiermee volledig verlegd van de eigen zonde naar de vermeende fout van degene die de correctie brengt. Als de confrontatie aanhoudt, volgt de laatste stap van de halsstarrige: het vermijden van de gemeenschap. Men blijft weg van de diensten, verbreekt relaties en verlaat uiteindelijk de gemeente, op zoek naar een plek die ‘positiever’ is en waar men ‘geaccepteerd wordt zoals men is’. In werkelijkheid zoekt men een plaats waar de eigen wil niet wordt tegengesproken en de zonde ongemoeid wordt gelaten. Dit is de tragische, moderne uitwerking van de weg van de dwaas: het verwerpen van Gods liefdevolle correctie onder de vlag van diezelfde Gods genade.
Het onherstelbare gevolg
Wie na bestraffingen halsstarrig is, zal opeens gebroken worden, en er zal geen genezing meer zijn.
Spreuken 29:1
Let op de twee sleutelwoorden: ‘opeens’ en ‘gebroken’. ‘Opeens’ (Hebreeuws: petha) geeft aan dat het einde komt zonder verdere aankondiging. Gods lankmoedigheid (traag tot toorn zijn), die zo vaak en zo geduldig is betoond in elke bestraffing, wordt nu onthouden. De tijd van waarschuwen is voorbij. Het oordeel is geen langzaam proces meer, maar een catastrofale, plotselinge gebeurtenis voor de persoon in kwestie. Het woord ‘gebroken’ (Hebreeuws: shavar) duidt op een volledige verbrijzeling. Het is het beeld van een pottenbakkersvat dat met een klap in duizend scherven uiteenvalt.
Het meest verschrikkelijke deel van de waarschuwing ligt in de laatste woorden: “en er is geen genezing mogelijk” (Hebreeuws: v’ein marpe’). ‘Marpe’ betekent genezing, herstel, een remedie. De tekst stelt vast dat er een punt is waarop geen herstel meer mogelijk is. De deur van de genade, die in elke bestraffing nog op een kier stond, is definitief gesloten. Dit beschrijft een staat die voorbij het punt van berouw en omkeer is.
Hoe dit oordeel eruitziet, kan verschillen. Het kan een plotselinge, aardse calamiteit zijn. Nog ernstiger is het geestelijke oordeel waarbij God een mens overgeeft aan zijn eigen verharde hart, zoals beschreven in Romeinen 1. De persoon wordt één met zijn zonde dat hij niet meer kan of wil terugkeren. Zijn geweten is dichtgeschroeid. Hij is blind voor zijn eigen ondergang. De ultieme vervulling van dit woord is het laatste oordeel, waar de breuk met God voor eeuwig en onherstelbaar wordt vastgesteld.
De roep tot bekering
De waarschuwing van Spreuken 29:1 is niet bedoeld om te eindigen in hopeloosheid, maar om te leiden tot een dringende en onmiddellijke keuze. Wat is dan de weg van ontsnapping aan dit onherstelbare gevolg? De Schrift geeft maar één antwoord: de weg van de bekering, die vandaag nog gekozen moet worden.
De auteur aan de Hebreeën benadrukt de ernst hiervan voor ons die onder het Nieuwe Verbond leven. We zijn niet gekomen tot de Sinaï, een tastbare berg van vuur en duisternis die zelfs Mozes deed beven. Nee, wij zijn genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God en tot Jezus, de Middelaar van het nieuwe verbond. Juist omdat deze genade in Christus zo onuitsprekelijk groot is, is het verwerpen van Zijn stem zoveel ernstiger. De genade is de hoogste motivatie voor diep ontzag. Want, zo sluit de schrijver af, “onze God is een verterend vuur“.
Wanneer de Heilige Geest ons daarom door het Woord of door een ander corrigeert, is het van levensbelang om onze eerste, natuurlijke reactie te wantrouwen. De weg van de wijsheid is om de Schrift te openen en met een nederig hart te vragen: “Heere, wat zegt U in Uw Woord?”
De Schrift geeft ons hierin voorbeelden. Denk aan koning David, die na de confrontatie door de profeet Nathan niet in discussie ging, maar instortte en beleed: “Ik heb gezondigd tegen de HEERE“. Zijn roep om een nieuw hart vinden we terug in Psalm 51. Of denk aan Nehemia, die bij het horen van de zonde van zijn volk niet met zijn vinger wees, maar zich op de knieën wierp en bad: “Ik en het huis van mijn vader, wij hebben gezondigd“. Dit is de houding van een hart dat door de vreze des HEEREN is gebroken, voordat het door het oordeel onherstelbaar wordt gebroken.
De roep tot bekering klinkt daarom “heden”. Heden, nu u Zijn stem hoort, verhard uw hart niet. Voor wie zijn nek verhardt, wacht de verbreking die onherstelbaar is.
Deel artikel