Wereldbeeld
11 min.
Wereldbeeld

Leven vanuit een Bijbels wereldbeeld

⏱️ 11 min. leestijd

Ieder mens kijkt naar de werkelijkheid vanuit bepaalde overtuigingen. Wat iemand gelooft over God, de mens, waarheid, goed en kwaad, geluk, lijden en dood staat zelden volledig los van elkaar. Samen vormen deze overtuigingen een raamwerk waardoor hij de wereld begrijpt en zijn eigen plaats daarin bepaalt.

Voor dat raamwerk wordt vaak het woord wereldbeeld gebruikt. Daarmee wordt meer bedoeld dan een verzameling standpunten. Het gaat om wereldbeschouwing. Een wereldbeeld geeft richting aan de fundamentele vragen van het bestaan. Waar komt alles vandaan? Wie is de mens? Waarom zijn wij hier? Wat maakt iets goed of kwaad? Wat is werkelijk waardevol? Waarom bestaat er lijden? Wat gebeurt er met ons wanneer wij sterven? Waar beweegt de geschiedenis naartoe?

Niemand leeft zonder te laten zien dat ze een antwoord hebben op deze vragen. Ook iemand die zegt weinig met levensbeschouwing bezig te zijn, neemt voortdurend beslissingen vanuit overtuigingen over wat belangrijk, redelijk, goed of wenselijk is. Een mens kan nauwelijks handelen zonder ergens waarde aan toe te kennen. Hij kan niet over recht spreken zonder een voorstelling te hebben van goed en kwaad. Hij kan geen doel nastreven zonder te veronderstellen dat bepaalde dingen belangrijker zijn dan andere.

De vraag naar ons wereldbeeld is iets wat iedere discipel van Christus raakt. Wanneer ons wereldbeeld bepaalt hoe wij de werkelijkheid begrijpen, en wanneer dat wereldbeeld voortdurend wordt gevormd, is de vraag onvermijdelijk waardoor ons denken uiteindelijk wordt bepaald.

Waarom een Bijbels wereldbeeld noodzakelijk is

Een mens wordt vanaf zijn jeugd gevormd. Ouders geven overtuigingen door, soms bewust en soms zonder woorden. Onderwijs draagt ideeën over mens en samenleving over. Vrienden, boeken, muziek, nieuws, sociale media en entertainment beïnvloeden wat we normaal of aantrekkelijk vinden. Persoonlijke ervaringen kunnen overtuigingen bevestigen, veranderen of dieper in het hart verankeren. Ook de kerk vormt het denken door prediking, onderwijs, gebed, gemeenschap en de manier waarop zij het christelijke leven voorleeft.

Veel van deze vorming vindt plaats voordat iemand zich ervan bewust is. Daardoor kan een christen oprecht bepaalde Bijbelse overtuigingen belijden en tegelijkertijd op bepaalde terreinen denken vanuit uitgangspunten die niet overeenkomen met God in Zijn Woord leert.

De Schrift roept gelovigen niet alleen op om bepaalde waarheden te geloven. Het spreekt ook over een vernieuwing van de manier waarop zij denken.

De apostel Paulus schrijft hierover in Romeinen 12:

(1) Ik roep u er dan toe op, broeders, door de ontfermingen van God, om uw lichamen aan God te wijden als een levend offer, heilig en voor God welbehaaglijk: dat is uw redelijke godsdienst. (2) En word niet aan deze wereld gelijkvormig, maar word veranderd door de vernieuwing van uw gezindheid om te kunnen onderscheiden wat de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is.
– Romeinen 12:1-2

Paulus heeft in de eerste elf hoofdstukken van zijn brief aan de Romeinen uitvoerig geschreven over de zonde van de mens, de rechtvaardiging door het geloof in Jezus Christus, het nieuwe leven door de Heilige Geest en Gods ontferming over Jood en heiden. Wanneer hij in hoofdstuk 12 begint met de woorden “ik roep u er dan toe op”, bouwt hij voort op alles wat eraan voorafging.

De vernieuwing van het denken begint dus bij Gods ontferming. Omdat God Zich, in Christus, over hen heeft ontfermd, worden zij geroepen hun hele bestaan aan Hem toe te wijden.

Paulus heeft het eerst over het lichaam als een levend offer. Het hele leven van de gelovige hoort een antwoord op Gods genade te zijn. Zijn handen, woorden, tijd, arbeid, relaties en verlangens worden aan God gewijd.

Vervolgens richt Paulus zich op het denken. “Word niet aan deze wereld gelijkvormig.” Het Griekse woord dat hier wordt gebruikt, aiōn, duidt op de tegenwoordige eeuw of het huidige tijdperk. Paulus waarschuwt de gelovigen ervoor dat zij zich niet naar het patroon van deze door zonde gekenmerkte werkelijkheid moeten laten vormen. Er bestaan manieren van denken, waarderen en leven die zo gewoon kunnen worden dat zij zonder onderzoek worden overgenomen.

Daartegenover staat de oproep om veranderd te worden door de vernieuwing van het denken. De gelovige heeft niet alleen nieuwe conclusies nodig. Zijn wijze van beoordelen moet worden vernieuwd.

Paulus noemt vervolgens het doel van die vernieuwing. De gelovige moet leren onderscheiden wat de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is. Dat onderscheidingsvermogen ontstaat niet vanzelf. Zijn denken moet worden gevormd.

Paulus schrijft daarover ook in Efeze 4. Hij herinnert de gelovigen eraan hoe zij vroeger leefden:

(17) Dit zeg ik dan en getuig ervan in de Heere, dat u niet meer wandelt zoals de andere heidenen wandelen, in de zinloosheid van hun denken, (18) verduisterd in het verstand, vervreemd van het leven dat uit God is, door de onwetendheid die in hen is, door de verharding van hun hart.
– Efeze 4:17-18

Paulus verbindt hier denken en leven met elkaar. De “zinloosheid van hun denken” blijft niet beperkt tot het hoofd. Het komt tot uitdrukking in hun wandel.

Tegenover dat vroegere bestaan plaatst Paulus in Efeze 4:22-24 wat de Efeziërs in Christus hebben geleerd. Zij moeten de oude mens afleggen, “vernieuwd worden in de geest van uw denken” en de nieuwe mens aandoen, die overeenkomstig God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid.

De overgang in de tekst is belangrijk. De gelovige heeft niet simpelweg een andere mening aangenomen. Hij behoort tot Christus en wordt geroepen te leren denken en leven overeenkomstig die nieuwe werkelijkheid.

Ook in Kolossenzen 2 waarschuwt Paulus voor invloeden die het denken van gelovigen kunnen meeslepen:

Pas op dat niemand u als buit meesleept door de filosofie en inhoudsloze verleiding, volgens de overlevering van de mensen, volgens de grondbeginselen van de wereld, maar niet volgens Christus.
– Kolossenzen 2:8

De tegenstelling die Paulus in de tekst maakt is belangrijk. De beslissende vraag is niet of een gedachte intellectueel indrukwekkend, oud, populair of algemeen aanvaard is. De vraag is of een gedachte “volgens Christus” is.

Dit betekent niet dat iedere christen een filosoof moet worden of voortdurend ieder denkbaar onderwerp moet analyseren. Het betekent wel dat hij leert vragen wat God heeft geopenbaard en bereid is zijn eigen aannames en overtuigingen daaraan te onderwerpen.

De vraag is uiteindelijk wat de Schrift ons daadwerkelijk leert over de werkelijkheid. Wanneer wij ons denken door Gods Woord willen laten vormen, waar begint dat denken dan?

De Schrift zelf geeft daarop vanaf de eerste zin het antwoord.

De werkelijkheid begint bij God

In het begin schiep God de hemel en de aarde.
– Genesis 1:1

Met deze woorden opent de Schrift. “In het begin” markeert het begin van de schepping, niet het begin van God. God ontstaat niet binnen de tijd en komt niet voort uit iets dat vóór Hem bestond. Hij is de ongeschapen God, zonder oorsprong en zonder oorzaak buiten Zichzelf.

Dat onderscheid tussen God en de schepping is fundamenteel voor een Bijbels wereldbeeld. Aan de ene kant staat God, Die niet geschapen is en Zijn bestaan aan niets of niemand ontleent. Aan de andere kant staat alles wat bestaat doordat Hij het tot bestaan heeft geroepen.

Wanneer Genesis leert dat God “de hemel en de aarde” schiep, wordt de geschapen werkelijkheid in het geheel bedoeld. Wat zichtbaar en onzichtbaar is, wat boven en beneden is, wat leeft en wat niet leeft, behoort tot de orde van het geschapene.

Genesis 1 werkt dit verder uit. God spreekt en de dingen ontstaan. “Laat er licht zijn”, en er is licht. Hij brengt onderscheid aan tussen licht en duisternis, water en land, dag en nacht. Hij vult de aarde met leven en geeft aan ieder schepsel zijn plaats.

Daarmee leert Genesis meer dan dat God ooit aan het begin van de geschiedenis iets heeft gemaakt. Het bepaalt wat voor werkelijkheid wij bewonen. De wereld is geschapen werkelijkheid.

Dat betekent ook dat waarheid en betekenis niet pas ontstaan wanneer mensen aan de werkelijkheid een interpretatie geven. Voordat er een mens was die de wereld kon benoemen, onderzoeken of beschrijven, had God deze al gemaakt, onderscheiden en goed genoemd. De werkelijkheid heeft daarom een objectieve orde die voorafgaat aan onze waarneming ervan.

God bepaalt wat iets is door het te scheppen naar Zijn wil en binnen Zijn orde. Licht is licht omdat God het geschapen en van de duisternis onderscheiden heeft. De zee en het droge ontvangen hun begrenzing van Hem. Levende wezens worden naar hun soort geschapen. De mens verschijnt later binnen een wereld waarvan de fundamentele structuur al door God is vastgesteld.

Alles wat over schepping, mens, moraal, geschiedenis, zonde, verlossing en toekomst gezegd kan worden, staat binnen deze eerste waarheid.

De mens ontvangt zijn plaats in Gods schepping

Een Bijbels wereldbeeld kijkt niet alleen naar de oorsprong van de werkelijkheid, maar ook naar de plaats die de mens daarin van God ontvangt.

Wanneer de Schrift over de mens spreekt, wordt hij niet voorgesteld als iemand die zelf moet ontdekken wat hij is of waarvoor hij bestaat. Zijn identiteit wordt hem gegeven door zijn Schepper. Dat is een fundamenteel uitgangspunt van een Bijbels wereldbeeld. De mens begrijpt zichzelf vanuit zijn verhouding tot God en de plaats die God hem binnen de schepping heeft gegeven.

Genesis 1 beschrijft die plaats met woorden die voor geen ander aards schepsel worden gebruikt:

(26) En God zei: Laten Wij mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en laten zij heersen over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht, over het vee, over heel de aarde en over al de kruipende dieren die over de aarde kruipen! (27) En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.
– Genesis 1:26-27

De mens behoort tot de geschapen werkelijkheid, maar neemt daarin een bijzondere plaats in. Hij is naar Gods beeld geschapen en ontvangt de opdracht om binnen Gods wereld verantwoordelijkheid te dragen. Zijn waardigheid, betekenis en roeping zijn niet door mensen bedacht of afhankelijk van wat iemand kan, bezit of presteert. Zij zijn geworteld in Gods scheppingswerk.

Dat uitgangspunt bepaalt vervolgens hoe een Bijbels wereldbeeld naar het menselijke leven kijkt. De waarde van een mens wordt vanuit zijn geschapen waardigheid begrepen. Het lichaam en het onderscheid tussen man en vrouw worden ontvangen als onderdeel van Gods scheppingswerk. Huwelijk en gezin worden begrepen vanuit de orde die God eraan heeft gegeven. Arbeid, opvoeding, verantwoordelijkheid en de omgang met anderen krijgen hun betekenis binnen de roeping die de mens van zijn Schepper ontvangt.

De zonde heeft de werkelijkheid ontwricht

Een Bijbels wereldbeeld houdt niet alleen rekening met Gods goede scheppingsorde, maar ook met wat de zonde daarmee heeft gedaan. De wereld zoals wij die nu kennen, is niet meer de wereld zoals God die oorspronkelijk heeft geschapen. Dat onderscheid is noodzakelijk om de menselijke werkelijkheid goed te begrijpen.

Genesis 3 beschrijft hoe de mens Gods woord verwerpt en zelf grijpt naar de kennis van goed en kwaad. Daarmee wordt de door God gegeven verhouding omgekeerd. Het schepsel wil niet langer ontvangen wat waar en goed is, maar zelf bepalen wat goed en kwaad betekent.

De gevolgen daarvan raken de hele menselijke werkelijkheid. De gemeenschap met God wordt verbroken. Schaamte en angst verschijnen. De verhouding tussen man en vrouw wordt aangetast. Arbeid wordt zwaar. De schepping wordt geraakt en de dood doet zijn intrede. Wat God goed heeft geschapen, blijft Zijn schepping, maar staat vanaf dat moment onder de gevolgen van de zonde.

Ook het menselijke denken wordt daardoor beïnvloed. Paulus beschrijft in Romeinen 1 hoe mensen God kennen uit Zijn werken, maar Hem niet als God verheerlijken en danken. Vervolgens worden hun overwegingen vruchteloos en hun hart verduisterd. De zonde raakt dus niet alleen wat mensen doen, maar ook hoe zij de werkelijkheid interpreteren en beoordelen.

Een Bijbels wereldbeeld kijkt naar mens, lichaam, relaties, seksualiteit, huwelijk, arbeid, gezag, lijden en dood vanuit twee werkelijkheden tegelijk. Er is Gods goede scheppingsorde en er is de ontwrichting die de zonde daarin heeft gebracht. De gevallen werkelijkheid verklaart wat wij aantreffen, maar bepaalt niet wat goed is.

Alleen in Christus wordt het denken vernieuwd

Omdat de zonde niet alleen het handelen van de mens, maar ook zijn verlangens en denken heeft aangetast, is het probleem niet opgelost wanneer iemand eenvoudigweg meer juiste kennis ontvangt. De mens heeft niet alleen onderwijs nodig over de werkelijkheid. Hij heeft geestelijke vernieuwing nodig.

Jezus maakt dat duidelijk in Zijn gesprek met Nicodemus:

Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Als iemand niet opnieuw geboren wordt, kan hij het Koninkrijk van God niet zien.
– Johannes 3:3

Nicodemus kende de Schriften en was als leraar van Israël vertrouwd met de dingen van God. Toch wijst Jezus hem niet eerst op een gebrek aan informatie. Hij zegt dat er iets met de mens zelf moet gebeuren. Hij moet opnieuw geboren worden.

In het vervolg maakt Jezus duidelijk in Johannes 3:6 dat deze nieuwe geboorte het werk van de Heilige Geest is. “Wat uit het vlees geboren is, is vlees; en wat uit de Geest geboren is, is geest”. Het nieuwe leven ontstaat niet doordat de gevallen mens zichzelf door kennis of discipline hervormt. God moet door Zijn Geest nieuw leven geven.

Paulus verbindt dat nieuwe leven met kennis wanneer hij over de nieuwe mens schrijft:

en de nieuwe mens aangetrokken hebt, die vernieuwd wordt tot kennis, overeenkomstig het beeld van Hem Die hem geschapen heeft.
– Kolossenzen 3:10

De formulering sluit opvallend aan bij de schepping. De mens die door de zonde van zijn Schepper vervreemd is geraakt, wordt in Christus vernieuwd “overeenkomstig het beeld van Hem Die hem geschapen heeft”. Verlossing brengt de mens naar de bestemming waarvoor hij geschapen werd. God vernieuwt hem zodat hij leert leven in overeenstemming met zijn Schepper.

Daarbij noemt Paulus uitdrukkelijk de vernieuwing “tot kennis”. Het nieuwe leven in Christus raakt de manier waarop de gelovige ziet, begrijpt en beoordeelt. Hij leert God als God erkennen, zichzelf als schepsel zien en de werkelijkheid beoordelen vanuit de waarheid die God heeft geopenbaard.

Christus staat hier in het middelpunt. Buiten Hem blijft de mens vervreemd van God. In Hem ontvangt hij verzoening en nieuw leven en door de Geest wordt hij steeds verder vernieuwd naar het beeld van zijn Schepper.

Vanuit die vernieuwde verhouding tot God krijgt ook Zijn Woord zijn juiste plaats.

Het werk van de Heilige Geest door het Woord en de gemeente

Wanneer de mens in Christus wordt vernieuwd, betekent dat niet dat hij voortaan vanzelf juist over ieder onderdeel van de werkelijkheid denkt. Zijn denken krijgt een nieuwe richting, maar moet voortdurend worden gevormd. God doet dat met Zijn Geest door het Woord en de gemeente.

Paulus schrijft aan Timotheüs:

Heel de Schrift is door God ingegeven en is nuttig om daarmee te onderwijzen, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de rechtvaardigheid, opdat de mens die God toebehoort, volmaakt zou zijn, tot elk goed werk volkomen toegerust.
– 2 Timotheüs 3:16-17

De Schrift is “door God ingegeven”. Het Griekse theopneustos wijst op de goddelijke oorsprong. Het is niet een verzameling menselijke gedachten over God, maar het Woord dat door Gods Geest is voortgebracht.

Paulus beschrijft vervolgens wat dit Woord doet. Het onderwijst waar kennis ontbreekt, weerlegt waar het denken verkeerd is, verbetert wat scheef is gegroeid en voedt op in gerechtigheid. Dat veronderstelt dat de gelovige zijn eigen overtuigingen niet als uitgangspunt kan nemen. Ook na zijn bekering heeft hij correctie en vorming nodig.

Hierin werkt de Heilige Geest. Paulus schrijft in 1 Korinthe 2 dat God de dingen die Hij aan Zijn volk geschonken heeft door de Geest bekendmaakt. De natuurlijke mens neemt de dingen van de Geest van God niet aan, maar degene die de Geest ontvangen heeft, leert ze kennen als dingen die door God gegeven zijn.

Het werk van de Geest maakt de Schrift niet minder noodzakelijk, maar juist werkzaam in het leven van de gelovige. Hij opent het verstand, overtuigt van waarheid, brengt zonde aan het licht en vormt het denken naar wat God heeft gesproken.

God heeft dit proces echter niet bedoeld als een individuele onderneming. De christen heeft het Woord van God nodig, maar hij heeft ook de gemeente nodig waarin dat Woord wordt verkondigd, onderwezen en gezamenlijk geleefd. Christus vergadert geen losse discipelen die ieder zelfstandig proberen Hem te volgen. Hij voegt hen samen tot Zijn lichaam.

Dat vraagt om leerbaarheid. Wie zich niet laat onderwijzen of corrigeren, sluit zichzelf af voor een belangrijk middel waardoor God Zijn kinderen vormt.

Leren leven vanuit deze werkelijkheid

Een Bijbels wereldbeeld draait uiteindelijk in de kern om aanbidding. Als God de Schepper is, het leven van Hem is ontvangen en Christus als Heer wordt gezien, dan behoort niet alleen het denken maar het hele bestaan aan Hem toe. De geloofde waarheid krijgt de juiste plaats wanneer dit leidt tot een leven waarin God als God wordt erkend, vertrouwd en gehoorzaamd.

De apostel Paulus brengt die gerichtheid op God samen aan het einde van Romeinen 11:

Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid, tot in eeuwigheid. Amen.
– Romeinen 11:36

De grootheid van Gods wijsheid brengt Paulus tot aanbidding. Alles vindt zijn oorsprong in God, bestaat door Hem en vindt zijn doel in Hem. Daarom eindigt het vers ook waar het noodzakelijk moet eindigen: “Hem zij de heerlijkheid”.

Dat geeft de richting aan het leven van een christen. Niet alleen wat wij geloven over God, maar ook wat wij met ons leven doen, behoort op Hem gericht te zijn. Paulus maakt dat in Kolossenzen heel concreet:

En alles wat u doet met woorden of met daden, doe dat alles in de Naam van de Heere Jezus, terwijl u God en de Vader dankt door Hem.
– Kolossenzen 3:17

“Alles wat u doet” laat geen afzonderlijk terrein over waarop de heerschappij van Christus niet van toepassing is. Een Bijbels wereldbeeld krijgt gestalte in de concrete werkelijkheid waarin iemand leeft. In de manier waarop hij zijn tijd gebruikt, verantwoordelijkheid draagt, met geld omgaat, werkt, opvoedt, liefheeft, spreekt, keuzes maakt en reageert op voorspoed of tegenslag. Niet ieder van die terreinen vraagt om een afzonderlijk wereldbeeld. Dezelfde waarheid over God, mens, zonde en Christus bepaalt hoe zij allemaal worden benaderd.

Het primaire doel van een Bijbels wereldbeeld is niet dat wij uiteindelijk over ieder onderwerp de juiste christelijke mening kunnen formuleren. Het primaire doel is dat het hele christelijke leven een antwoord wordt op de werkelijkheid die God heeft geopenbaard, opdat Hem alle eer en glorie toekomt.

Deel artikel

Meer in Wereldbeeld