Geschiedenis en Traditie
8 min.
Geschiedenis en Traditie

Waarom we geloofsbelijdenissen nodig hebben

⏱️ 8 min. leestijd

Wanneer christenen spreken over geloofsbelijdenissen, komt al snel de vraag op waarom zulke documenten nodig zijn. We hebben toch de Bijbel? Als de Schrift Gods Woord is en toereikend is om ons te leren wat wij moeten geloven, waarom zouden we daarnaast menselijke formuleringen gebruiken?

Het gebruik van een geloofsbelijdenis hoeft niets toe te voegen aan de Schrift. Het gaat om het onder woorden brengen van wat wij geloven dat de Schrift zelf leert.

Iedere christen die zegt wat hij gelooft dat de Bijbel leert, formuleert een belijdenis. Wanneer iemand zegt dat God één is, dat Jezus Christus waarachtig God en waarachtig mens is, dat Hij voor onze zonden gestorven is, lichamelijk uit de dood is opgestaan en terugkomt om te oordelen, geeft hij in woorden weer wat hij uit de Schrift heeft begrepen.

De vraag wordt dan hoe de kerk zorgvuldig onder woorden brengt wat het uit de Schrift heeft ontvangen.

De kerk moet de gezonde leer bewaren

De leer die de kerk heeft ontvangen, is gegrond in wat God over Zichzelf heeft bekendgemaakt en gesproken. De apostelen ontvingen het evangelie en de leer van Christus en droegen die over aan de gemeenten. De kerk leeft van waarheid die van God ontvangen is.

De apostel Paulus benadrukt dit wanneer hij aan de Galaten schrijft dat het evangelie dat hij verkondigde niet “naar de mens” is. Hij had het niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus, zoals hij schrijft in Galaten 1:11-12. Aan de Thessalonicenzen schrijft hij dat zij het door de apostelen verkondigde woord hadden aangenomen “niet als een mensenwoord, maar zoals het werkelijk is, als Gods Woord” in 1 Thessalonicenzen 2:13.

Paulus gebruikt in zijn brieven aan Timotheüs en Titus meerdere keren de uitdrukking “gezonde leer”. Het woord dat met “gezond” wordt vertaald, draagt de gedachte van gaaf en onbedorven zijn. Gezonde leer is leer die overeenkomt met de waarheid die God heeft geopenbaard. Paulus stelt daar woorden en leringen tegenover die van die waarheid afwijken en geestelijk schadelijk zijn.

Aan Timotheüs schrijft hij:

(13) Houd u aan het voorbeeld van de gezonde woorden, die u van mij gehoord hebt, in geloof en liefde, die in Christus Jezus zijn. (14) Bewaar door de Heilige Geest, Die in ons woont, het goede pand, dat u toevertrouwd is.
– 2 Timotheüs 1:13-14

Paulus heeft het over iets dat aan Timotheüs is toevertrouwd. Het Griekse parathēkē werd gebruikt voor iets dat aan iemand werd toevertrouwd om het zorgvuldig te bewaren. De ontvanger krijgt het onder de verantwoordelijkheid om er trouw mee om te gaan en het ongeschonden te bewaren.

Timotheüs moet vasthouden aan de gezonde woorden die hij heeft gehoord en het toevertrouwde pand bewaren. In 1 Timotheüs 6:20 klinkt dezelfde opdracht wanneer Paulus schrijft: “O Timotheüs, bewaar het u toevertrouwde pand.”

Bewaren betekent dat de ontvangen waarheid niet wordt vervormd, vervangen of aangepast. De kerk houdt vast aan wat God heeft geopenbaard, draagt het over aan volgende generaties en waakt tegen leer die ermee in strijd is. Judas spreekt in dezelfde lijn wanneer hij schrijft over “het geloof dat eenmaal aan de heiligen overgeleverd is” in Judas 3.

Wat is een geloofsbelijdenis?

Een geloofsbelijdenis is een beknopte verwoording van wat christenen geloven dat de Schrift leert. Het woord belijdenheeft de gedachte van openlijk uitspreken en erkennen. Een geloofsbelijdenis geeft woorden aan de inhoud van het geloof dat wordt beleden.

Veel broeders en zusters kennen historische geloofsbelijdenissen zoals de Apostolische Geloofsbelijdenis of de geloofsbelijdenis van Nicea. Ook plaatselijke gemeenten hebben vaak een eigen geloofsbelijdenis waarin wordt vastgelegd wat op grond van de Schrift wordt geloofd over onderwerpen als God, Christus, de Heilige Geest, de Schrift, zonde, verlossing, de kerk en de toekomst.

Niet iedere geloofsbelijdenis heeft dezelfde plaats of hetzelfde karakter. Sommige belijdenissen zijn in de loop van de kerkgeschiedenis ontstaan rond fundamentele vragen van het christelijke geloof en zijn eeuwenlang door broeders en zusters uit verschillende kerken en tradities beleden. Andere zijn uitvoeriger en verbonden aan een bepaalde kerkelijke traditie. Een plaatselijke gemeente kan daarnaast een eigen geloofsbelijdenis opstellen waarin de leer die binnen die gemeente wordt onderwezen duidelijk wordt verwoord.

De omvang en historische betekenis kunnen verschillen, maar het doel blijft hetzelfde. Een geloofsbelijdenis maakt zichtbaar wat met het christelijke geloof wordt bedoeld en welke leer uit de Schrift wordt beleden.

Het nut en belang van historische geloofsbelijdenissen

Wanneer de leer van de Schrift helder wordt beleden en vastgelegd, kan die belijdenis op verschillende manieren dienstbaar zijn aan de kerk.

Bij historische geloofsbelijdenissen komt daar nog iets bij. Ze laten zien dat het geloof dat wij vandaag belijden niet bij onze eigen generatie is begonnen. Christenen vóór ons hebben de waarheid van Gods Woord bewaard en die aan volgende generaties doorgegeven. Het gebruik van zulke belijdenissen kan de kerk dienen in het bewaren van de leer, het onderwijs van gelovigen, de eenheid van de gemeente en het besef dat wij deel uitmaken van een geloof dat door de eeuwen heen is doorgegeven.

Geloofsbelijdenissen dienen het onderwijs van de gemeente

De Schrift behandelt de verschillende onderdelen van het christelijke geloof verspreid over vele Bijbelboeken, genres en historische situaties. Wie wil begrijpen wat de Bijbel leert over God, Christus, de Heilige Geest, zonde, verlossing, de kerk of de opstanding, moet verschillende gedeelten van de Schrift leren lezen in hun onderlinge samenhang.

Geloofsbelijdenissen kunnen het onderwijs van de gemeente hierin dienen. Ze brengen fundamentele Bijbelse waarheden in een overzichtelijke samenhang bijeen en geven gelovigen taal om uit te spreken wat zij geloven. Een belijdenis kan vervolgens als uitgangspunt dienen om de afzonderlijke onderdelen vanuit de Schrift verder te bestuderen.

Deze manier van onderwijzen heeft een lange geschiedenis. In de vroege kerk werden korte geloofsformules gebruikt bij het onderwijs aan mensen die zich voorbereidden op de doop. Zij leerden de hoofdzaken van het christelijke geloof kennen en werden vanuit die belijdenis verder onderwezen in de Schrift. De structuur die later herkenbaar werd in de Apostolische Geloofsbelijdenis leende zich hier goed voor. Het onderwijs volgde de belijdenis van God de Vader als Schepper, Jezus Christus en Zijn verlossingswerk, de Heilige Geest, de kerk, de vergeving van zonden, de opstanding en het eeuwige leven.

In latere eeuwen werden uitgebreidere belijdenisgeschriften en catechismussen op dezelfde manier gebruikt. De belijdenissen boden een vaste structuur waarbinnen ouders, ouderlingen en gemeenten de verschillende onderdelen van het geloof vanuit de Schrift konden behandelen.

Geloofsbelijdenissen beschermen tegen dwaalleer

Al in de eerste eeuwen kreeg de kerk te maken met dwaalleer. Zo werd er onderscheid gemaakt tussen de hoogste goddelijke werkelijkheid en de schepper van de materiële wereld. Er circuleerden ook opvattingen waarin Christus niet werkelijk mens geworden zou zijn of waarin onderscheid werd gemaakt tussen Jezus en een hogere geestelijke Christus.

Irenaeus van Lyon schreef uitvoerig tegen zulke leringen. In “Tegen de ketterijen” beschrijft hij de geloofsregel die de kerk uit de apostolische verkondiging had ontvangen. Hij noemt het geloof in één God, de almachtige Vader en Schepper van hemel en aarde, in één Jezus Christus, de Zoon van God, Die werkelijk mens werd voor onze verlossing, in Zijn lijden, opstanding en wederkomst.

De kracht van zo’n geloofsregel lag in de samenhang van wat werd beleden. De God Die de wereld heeft geschapen is dezelfde God Die Zich in de geschiedenis van Israël heeft bekendgemaakt. Jezus Christus is werkelijk de Zoon van God Die mens geworden is. Zijn lijden en opstanding behoren tot dezelfde verlossingsgeschiedenis.

Tertullianus spreekt aan het begin van de derde eeuw eveneens over een “regel van het geloof”. Hij noemt één God als Schepper van de wereld, Jezus Christus als Gods Zoon, Zijn geboorte uit Maria, Zijn kruisiging, opstanding, hemelvaart en wederkomst. Voor Tertullianus vormt deze ontvangen geloofsinhoud een maatstaf waaraan afwijkende leringen kunnen worden herkend.

In de vierde eeuw werd deze beschermende functie van een geloofsbelijdenis nog duidelijker zichtbaar tijdens de strijd rond de godheid van Christus. Arius en zijn aanhangers spraken over Jezus als de Zoon van God en gebruikten de Schrift in hun argumentatie. Arius leerde dat de Zoon niet eeuwig op dezelfde wijze God was als de Vader en tot de geschapen orde gerekend moest worden.

De kerkvergadering van Nicea in 325 formuleerde de belijdenis van de kerk op dit punt veel nauwkeuriger. Over de Zoon werd gezegd dat Hij “God uit God” en “Licht uit Licht” is, „waarachtig God uit waarachtig God”, “geboren, niet gemaakt” en “van hetzelfde wezen met de Vader”. De Griekse term homoousios, “van hetzelfde wezen”, maakte duidelijk dat de Zoon niet als een verheven schepsel kon worden gezien. De belijdenis sloot ook uit dat er ooit een tijd zou zijn geweest waarin de Zoon niet bestond.

Dit laat zien waarom een geloofsbelijdenis bescherming bood tegen dwaalleer. De woorden “Jezus is de Zoon van God” konden door verschillende partijen worden uitgesproken. De strijd ging over wat die woorden betekenden. De formuleringen van Nicea legden vast welke uitleg overeenkwam met wat de Schrift over de Zoon leert en welke uitleg daarmee onverenigbaar was.

Een Bijbelgetrouwe geloofsbelijdenis geeft op die manier grenzen aan. Het legt niet alleen vast wát wordt beleden, maar maakt ook zichtbaar welke uitleg buiten de gezonde leer valt. Dat is vooral belangrijk wanneer een dwaling christelijke woorden blijft gebruiken en de betekenis ervan verschuift.

Geloofsbelijdenissen dienen de eenheid van de gemeente

Bijbelse eenheid rust op waarheid. De eerste gemeente volhardde volgens Handelingen 2:42 in de leer van de apostelen, de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden. De gemeenschap van de gelovigen stond verbonden met een gedeeld geloof in de waarheid die door de apostelen was verkondigd.

Paulus legt in Efeze 4 hetzelfde verband. Hij schrijft over “de eenheid van de Geest” die bewaard moet worden en noemt vervolgens één lichaam, één Geest, één hoop, één Heere, één geloof, één doop en één God en Vader. Later in hetzelfde hoofdstuk schrijft hij over “de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God”. De eenheid van de gemeente heeft inhoud. Gelovigen zijn verenigd rond dezelfde Heere en hetzelfde geloof.

Een geloofsbelijdenis kan die gemeenschappelijke geloofsinhoud duidelijk verwoorden. Wanneer een gemeente samen belijdt wie God is, wie Jezus Christus is, wat het evangelie inhoudt en waarop de hoop van de gelovigen rust, wordt zichtbaar rond welke waarheid het gemeenteleven is opgebouwd.

Deze helderheid is ook nodig omdat niet iedere leer verenigbaar is met de gemeenschap van de kerk. Paulus waarschuwt in Romeinen 16:17 voor mensen die verdeeldheid veroorzaken “tegen de leer in die u hebt ontvangen”. De ontvangen leer vormt hier de grens waarbinnen christelijke gemeenschap wordt gezocht en bewaard.

Geloofsbelijdenissen verbinden ons met de kerk door de eeuwen heen

Christenen van vandaag staan niet aan het begin van de geschiedenis van de kerk. Historische geloofsbelijdenissen maken die continuïteit zichtbaar. Wanneer christenen woorden belijden die ook eeuwen geleden door andere gelovigen werden uitgesproken, wordt duidelijk dat het geloof niet bij onze eigen tijd of plaats is begonnen. We ontvangen iets wat vóór ons al is beleden en wat, wanneer het Bijbels is, ook na ons moet worden doorgegeven.

Dat bewaart tegen een al te beperkte blik op de kerk. Het christelijke geloof is groter dan de eigen gemeente, denominatie of generatie. Gelovigen uit verschillende tijden en plaatsen hebben dezelfde fundamentele waarheden beleden over God, Christus, de Heilige Geest, verlossing, opstanding en het eeuwige leven.

Historische geloofsbelijdenissen herinneren ons ook aan de verantwoordelijkheid die iedere generatie heeft. Wat eerder ontvangen en beleden is, moet opnieuw aan de Schrift worden getoetst, begrepen en doorgegeven. We beginnen niet vanaf nul, maar nemen plaats in een geschiedenis waarin anderen ons zijn voorgegaan.

Historische belijdenissen zijn niet onfeilbaar

Historische geloofsbelijdenissen kunnen van grote waarde zijn, maar ouderdom geeft geen goddelijk gezag. Een formulering wordt niet waar omdat veel christenen die eeuwenlang hebben gebruikt. Ook brede aanvaarding binnen de kerk maakt een menselijke tekst niet onfeilbaar.

Alleen de Schrift is door God ingegeven. Paulus schrijft in 2 Timotheüs 3:16 dat heel de Schrift door God is ingegeven en nuttig is om te onderwijzen, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de rechtvaardigheid. Dat gezag behoort aan Gods Woord en kan niet worden overgedragen op een belijdenis, concilie of kerkelijke traditie.

Iedere geloofsbelijdenis moet aan de Schrift worden getoetst. De vraag is niet eerst hoe oud een belijdenis is, hoeveel kerken die gebruiken of welke namen eraan verbonden zijn. De vraag is of de inhoud overeenkomt met wat God heeft geopenbaard.

In Handelingen 17:11 worden de Bereeërs geprezen omdat zij dagelijks de Schriften onderzochten om te zien of wat hun werd verkondigd werkelijk zo was. Die houding blijft ook nodig bij het lezen van historische belijdenissen. Wat uit eerdere generaties is ontvangen, verdient aandacht en zorgvuldig onderzoek, maar moet vanuit Gods Woord worden beoordeeld.

Het is goed om historische geloofsbelijdenissen ook zelf te bestuderen. Wie dat doet, ziet hoe broeders en zusters in verschillende perioden geprobeerd hebben de leer van de Schrift zorgvuldig onder woorden te brengen, welke vragen daarbij centraal stonden en hoe bepaalde formuleringen zijn ontstaan. In de toekomst zullen we verschillende historische geloofsbelijdenissen behandelen en toelichten.

Moge de Heere ons leren Zijn waarheid lief te hebben, vast te houden aan het goede dat Hij in Zijn Woord heeft geopenbaard en trouw te bewaren wat aan Zijn gemeente is toevertrouwd.

Deel artikel

Meer in Geschiedenis en Traditie