Wat was het gebod van God aan de mens?

💡 Antwoord

In de hof van Eden mocht de mens van alle bomen vrij eten, behalve van de boom van kennis van goed en kwaad. Als de mens daarvan zou eten, zou de mens zeker sterven.

💬 Gespreksleiding voor de ouder/leraar:

God plaatste de mens in de hof van Eden en zegende hem. Adam en Eva mochten vrij eten van alle bomen in de hof, als een teken van Gods goedheid en zorg.

Te midden van deze overvloed gaf God één duidelijk gebod. God wees op de boom van de kennis van goed en kwaad en verbood de mens om daarvan te eten.

Aan dit gebod verbond God een duidelijke en ernstige consequentie: “op de dag dat u daarvan eet, zult u zeker sterven”.Dit was geen advies, maar een bevel van hun Schepper. Gods wil was dat de mens zou leven door Hem te vertrouwen en te gehoorzamen. Daarom is onze reactie op Gods zegen dankbaarheid en onze reactie op Zijn gebod gehoorzaamheid.

📖 Verwijzingen

(16) En de HEERE God gebood de mens: Van alle bomen van de hof mag u vrij eten, (17) maar van de boom van de kennis van goed en kwaad, daarvan mag u niet eten, want op de dag dat u daarvan eet, zult u zeker sterven.

De bovenstaande verwijzingen zijn ontleend aan de Bijbel in de Herziene Statenvertaling, © Stichting HSV 2010.

Doordenkvragen

God verbood maar één boom, maar gaf alle andere bomen om vrij van te eten. Wat leert ons dat over het karakter van God in deze situatie?

Deze vraag helpt het kind om Gods gebod te zien binnen de juiste context. Het bestrijdt het leugenachtige beeld van God als een gierige of onredelijke heerser.

Help het kind het contrast te zien door te vragen: “Was God streng en gierig, of juist heel ruim en vrijgevig voor Adam en Eva?” De focus ligt op de overvloed die God gaf. Het ene verbod was geen last, maar een teken van Zijn heerschappij en de relatie die Hij met de mens had.

Deze vraag leidt naar de kern van het gebod. Het ging niet om de vrucht zelf, maar om het vertrouwen in en de onderwerping aan Gods Woord als de standaard voor het leven.

Leg uit dat het niet om de vrucht ging, maar om de vraag: “Geloof en vertrouw je wat Ik, je Schepper, zeg, of niet?” Gehoorzaamheid was de manier waarop Adam en Eva konden laten zien dat ze God liefhadden en Hem als hun Koning erkenden. Het was de concrete uiting van hun vertrouwen in Hem.

Deze vraag verbindt gehoorzaamheid aan Gods geboden met het ontvangen van Zijn zegen. Het bestrijdt de leugen dat Gods geboden onze vrijheid en vreugde in de weg staan.

Verwijs naar het beeld van de Goede Herder (Psalm 23, Johannes 10). Een herder leidt zijn schapen en houdt ze weg bij gevaarlijke kliffen of giftige planten. Vraag: “Zijn de aanwijzingen van de herder bedoeld om de vrijheid van de schapen af te pakken, of juist om ze te beschermen en naar goede weiden te leiden?” Zo zijn Gods geboden ook: ze zijn er uit liefde, om ons te beschermen en ons op de weg van het ware leven te houden.