02. God

2.1

Wij geloven en belijden dat de HEERE, onze God, zoals geopenbaard in de Heilige Schrift, de enige, levende en ware God is. Hij bestaat in en door Zichzelf. Hij is oneindig in Zijn wezen en volmaaktheid. Alleen Hij kan Zichzelf volledig doorgronden. Hij is volledig geest; onzichtbaar, zonder lichaam, zonder ledematen en zonder de veranderlijke gevoelens van mensen. Hij alleen is onsterfelijk. Hij woont in het licht waartoe niemand kan naderen. Hij verandert niet. Hij is zo groot dat Hij ons voorstellingsvermogen te boven gaat. Hij is eeuwig, ondoorgrondelijk, almachtig en oneindig. Hij is volkomen heilig, volkomen wijs, volledig soeverein en geheel volmaakt. Hij bewerkt alle dingen naar de raad van Zijn Eigen, onveranderlijke en geheel rechtvaardige wil, voor Zijn Eigen eer. Hij is vol liefde, genadig, barmhartig, geduldig, overvloedig in goedertierenheid en waarheid. Hij vergeeft onrechtvaardigheid, overtredingen en zonde. Hij is de beloner van hen die Hem ijverig zoeken. Hij is volledig rechtvaardig en ontzagwekkend in Zijn oordelen. Hij haat alle zonde en spreekt in geen enkel opzicht de schuldige vrij.

2.2

Wij geloven en belijden dat in dit goddelijke en oneindige wezen drie goddelijke personen bestaan: de Vader, de Zoon (of het Woord) en de Heilige Geest. Zij zijn Ć©Ć©n in wezen, macht en eeuwigheid. Ieder van hen is volledig God en toch is hun goddelijkheid Ć©Ć©n en ongedeeld. De Vader ontleent zijn bestaan aan niets of niemand. De Zoon is van eeuwigheid door de Vader voortgebracht. De Heilige Geest gaat uit van de Vader en de Zoon. Deze drie zijn allen oneindig, zonder begin; en daarom Ć©Ć©n God, die niet verdeeld kan worden in natuur of wezen. Zij worden in de Schrift wel onderscheiden door hun persoonlijke relaties in de Godheid en door de verschillende werken die aan hen worden toegeschreven.

2.3

Wij geloven en belijden dat God alle leven, heerlijkheid, goedheid en zaligheid in en van Zichzelf heeft. Hij is volledig toereikend in Wie Hij is. Hij heeft de schepselen die Hij heeft gemaakt niet nodig en ontleent niets van Zijn heerlijkheid aan hen. Hij manifesteert alleen zijn Eigen glorie in, door, naar en over hen. God is de enige bron van alle bestaan, van wie, door wie en tot wie alle dingen zijn. Hij heeft de opperste heerschappij over alle schepselen en doet met hen, voor hen en door hen, wat Hem behaagt. Hij heeft alle dingen volledig in het zicht. Zijn kennis is oneindig, onfeilbaar en onafhankelijk van het schepsel, zodat niets voor Hem toevallig of onzeker is. Hij is allerheiligst in al Zijn raadsbesluiten, in al Zijn werken en in al Zijn geboden. Engelen en mensen zijn aan Hem, hun Schepper, Ć©lke aanbidding, dienstbaarheid en gehoorzaamheid verplicht; en verder alles wat Hij van hen wil eisen.

Heb je een vraag?