In deze preek over Romeinen 9:19-24 wordt stilgestaan bij het absolute recht van God als Schepper over Zijn schepselen wanneer de mens Gods soevereine wil en menselijke verantwoordelijkheid tegen elkaar uitspeelt. Aan de hand van het beeld van de pottenbakker en het leem wordt duidelijk dat God de volkomen bevoegdheid bezit om Zijn macht en rechtvaardige toorn te tonen over schuldige zondaars, terwijl Hij tegelijkertijd met groot geduld de rijkdom van Zijn heerlijkheid openbaart over voorwerpen van ontferming die Hij uit zowel Joden als heidenen tot Heil roept.
Kernpunten van de preek
- Gods onoverwinnelijke voornemen sluit menselijke verhinderingsmacht uit, terwijl de mens volledig schuldig en verantwoordelijk blijft voor zijn eigen zonde.
- De mens mist als schepsel elke grond om God ter verantwoording te roepen of Gods rechtvaardigheid te beoordelen vanuit menselijke maatstaven.
- Als Schepper bezit God het absolute recht om uit dezelfde gevallen mensheid bestemmingen van eervol en oneervol gebruik te vormen.
- Gods verdraagzaamheid tegenover zondaars bewijst Zijn geduld, waarbij Zijn oordeel Zijn heilige macht openbaart en Zijn ontferming de overvloed van Zijn heerlijkheid toont.
- Gods genadige roeping tot heerlijkheid is niet begrensd door etnische afkomst, maar omvat een geroepen gemeenschap uit zowel Joden als heidenen.
Geciteerde Schriftgedeelten
Romeinen 9:19-24 | Romeinen 8:31-39 | Exodus 9:16 | Romeinen 9:15 | Exodus 33 | Romeinen 9:17 | Jesaja 29:16 | Jesaja 45:9 | Jeremia 18:6 | Romeinen 1:18 | Romeinen 2 | Romeinen 8:30 | Romeinen 1:16