In deze preek over Romeinen 10:18-21 wordt stilgestaan bij Israëls verantwoordelijkheid voor het verwerpen van het Evangelie. Paulus laat zien dat Israëls ongeloof niet voortkwam uit een gebrek aan verkondiging of openbaring. Israël had het Evangelie gehoord en kon vanuit de eigen Schriften weten dat God door mensen buiten Israël zou handelen. Mozes had al gesproken over een ongehoorzaam Israël dat door Gods handelen met een ander volk tot jaloersheid zou worden gebracht. Jesaja sprak over mensen die God niet zochten maar aan wie Hij Zich bekendmaakte, terwijl Israël ondanks Gods voortdurende roep ongehoorzaam bleef en Hem tegensprak. Israëls ongeloof lag daarom niet aan een tekortkoming bij God, maar aan de ongehoorzaamheid van het volk. Daarmee bevestigt Paulus tegelijk dat Gods Woord niet heeft gefaald en dat Gods beloften betrouwbaar blijven.
Kernpunten van de preek
- Israël heeft het Evangelie daadwerkelijk gehoord.
- De Schriften hadden al bekendgemaakt dat God door mensen buiten Israël zou handelen.
- God maakte Zich bekend aan heidenen die Hem niet zochten.
- God had Zich voortdurend tot Israël gewend, maar het volk bleef ongehoorzaam en tegensprekend.
- Israëls ongeloof betekent niet dat Gods Woord of Gods beloften hebben gefaald.
Geciteerde Schriftgedeelten
Romeinen 10:18-21 | Psalm 19:2-5 | Romeinen 15 | Handelingen 13:46 | Romeinen 1:16 | Deuteronomium 32:21 | Deuteronomium 31 | Deuteronomium 32:15-18 | Romeinen 11:11 | Romeinen 11:13-14 | Jesaja 63-65 | Jesaja 64:1 | Jesaja 64:12 | Jesaja 65:1-2 | Romeinen 9:24 | Mattheüs 23:37 | Handelingen 7:51 | Handelingen 13:45 | Romeinen 11:29